Tag Archives: stoppen met werken

Maak je eigen geldmachine in 8 stappen en wordt financieel onafhankelijk

Veel mensen dromen ervan om de loterij te winnen en daardoor nooit meer te hoeven te werken. De kans om de loterij te winnen is echter kleiner, dan getroffen worden door de bliksem. Financiële onafhankelijkheid is echter voor bijna iedereen bereikbaar. Er zijn maar twee zaken nodig om financieel onafhankelijk te worden. Deze twee zaken zijn voldoende tijd, maandelijks geld investeren in een indexfonds met lage kosten en een goed rendement. Door maandelijks geld te investeren in een indexfonds met lage kosten en lang genoeg te wachten, kun je een geldmachine bouwen die op een gegeven moment zoveel geld voor je oplevert, dat je kunt stoppen met werken. Financiële onafhankelijkheid bestaat uit drie niveaus. Deze drie niveaus zijn financiële zekerheid, financiële onafhankelijkheid en financiële vrijheid. De eerste stap naar een van deze drie niveaus van financiële onafhankelijkheid is meer geld overhouden, dan dat je uitgeeft.

Meer geld overhouden, beter kunnen sparen

Loterijwinnaars blijven vaak niet rijk

Om financieel onafhankelijk te worden, heb je absoluut geen grote som geld nodig door bijvoorbeeld de loterij te winnen. Het blijkt zelfs dat loterijwinnaars binnen enkele jaren hun geldprijs opmaken en zelfs vaak schulden hebben gemaakt. Dit komt omdat loterijwinnaars vaak niet hebben geleerd hoe zij met geld om moeten gaan.

Financieel onafhankelijk door maandelijks een vast bedrag te investeren

De meeste mensen die financieel onafhankelijk zijn geworden, hebben maandelijks een vast bedrag gespaard (ongeveer 10% van hun maandinkomen) en dat geïnvesteerd in een indexfonds met lage kosten en een goed jaarrendement van ongeveer 6 tot 7%.

Geef minder uit, dan je verdient

Je kunt alleen een geldmachine bouwen als je maandelijks meer geld overhoudt, dan je uitgeeft. Wellicht ben je in de veronderstelling dat je maandelijks al bijna niet kunt rondkomen, laat staan dat je kunt sparen. Als je denkt dat je niets kunt sparen, probeer dan te starten met sparen door dagelijks 1 euro (maandelijks 30 euro) te sparen. Vaak kun je wel dagelijks 1 euro sparen. Wanneer het lukt om 1 euro per dag te besparen, verhoog dan het bedrag naar 2 euro per dag. Probeer vervolgens weer het spaarbedrag te verhogen naar 3 euro per dag enzovoorts. Hieronder worden voorbeelden gegeven waarop je dagelijks geld kunt besparen:

  • Drink geen koffie van de Starbucks, maar neem koffie van thuis mee in een thermoskan
  • Neem een broodtrommel mee van thuis, in plaats van dagelijks lunch te kopen
  • Ga niet meer uit eten, maar kook dagelijks zelf
  • Bestel geen eten (pizza, Chinees, fastfood), maar kook dagelijks zelf
  • Neem voor korte stukjes rijden niet de auto, maar de fiets
  • Stop met roken
  • Kijk je verzekeringen na op dubbele kosten en schrap verzekeringen
  • Eet twee dagen in de week geen vlees, maar bonen
  • Koop groente en fruit in het seizoen en direct van de boer
  • Zet de verwarming een graad lager en doe een trui aan
  • Gebruik LED-lampen in plaats van spaarlampen en gloeilampen
  • Zeg je sportschoolabonnement op dat je toch niet gebruikt en ga dagelijks een half uur fietsen, of lopen
  • Ga op een goedkopere vakantie

Investeer en spaar je salarisverhoging, bonussen en eindejaarsuitkeringen

Wanneer je bovenstaande suggesties in bepaalde mate doorvoert in je huidige uitgavenpatroon moet het mogelijk zijn om 10%, of zelfs 20% van je inkomen te sparen. Wanneer het nog steeds niet lukt om je uitgavenpatroon te beperken, maak dan de belofte aan jezelf dat je de volgende salarisverhoging spaart, in plaats van je uitgavenpatroon weer aan te passen.

Naast je structurele salarisverhoging te investeren, kun je ook elke bonus en eindejaarsuitkering structureel investeren.

Bouw een financiële buffer op

Voordat je geld gaat investeren in je geldmachine, moet je een financiële buffer opbouwen. Geld dat namelijk in je geldmachine zit, mag je er heel lang niet uithalen (soms tot wel 40 jaar). Het kan namelijk voorkomen dat tijdelijk je vermogen een stuk in waarde daalt, omdat je hebt geïnvesteerd in aandelen waarvan de waarde tijdelijk is gedaald. Het is dan ongunstig om er geld uit te halen. Daarnaast is de belangrijkste kracht van je geldmachine het rente-op-rente effect. Zodra je geld uit je geldmachine haalt, gooi je zand in je geldmachine. Je rente-op-rente effect verdwijnt dan voor een deel.

Bouw dus eerst een financiële buffer op. Een financiële buffer bestaat uit een vermogen waarover je direct de beschikking hebt en waarover je geen kosten hoeft te betalen, zodra je er geld van nodig hebt. Een financiële buffer biedt bescherming tegen kleine en grote tegenslagen. Een kleine tegenslag is bijvoorbeeld een wasmachine die kapot is en vervangen moet worden. Een grote tegenslag is bijvoorbeeld werkeloosheid waardoor je in de WW komt en je inkomen drastisch daalt.

Afhankelijk van je eigen gevoel van zekerheid en het risico dat je wil nemen, wordt aangeraden om een financiële buffer op te bouwen ter grootte van zes tot twaalf maandsalarissen.

Bepaal je niveau van financiële onafhankelijkheid

Financiële onafhankelijkheid bestaat uit drie oplopende niveaus. Voor elk niveau van financiële onafhankelijkheid heb je meer geld nodig. Bepaal voor jezelf welk niveau van financiële onafhankelijkheid je wil bereiken. Het is de bedoeling dat je vervolgens een doelvermogen opbouwt dat past bij jouw niveau.

Vervolgens investeer je het uiteindelijke opgebouwde doelvermogen in een fonds dat jaarlijks een gegarandeerd rendement geeft. Je hebt dus op een gegeven moment financiële onafhankelijkheid en dus maandelijks een vast inkomen, doordat:

  1. aan de ene kant je maandelijks geld uit je doelvermogen haalt
  2. en aan de andere kant doordat je gegarandeerd rente krijgt over je doelvermogen

Vooral punt twee; het jaarlijks rente krijgen over je doelvermogen moet je voorzien in een vast maandinkomen.

Geen gigantisch vermogen nodig voor financiële onafhankelijkheid

Er wordt vaak gedacht dat je gigantische bedragen nodig hebt om een bepaald niveau van financiële onafhankelijkheid te bereiken. In de praktijk blijkt dat het benodigde vermogen veel lager is, dan gedacht. Hieronder worden de drie niveaus van financiële onafhankelijkheid toegelicht en wordt toegelicht hoeveel vermogen je ongeveer nodig hebt voor het betreffende niveau van financiële onafhankelijkheid.

Niveau 1: financiële zekerheid

Financiële zekerheid is dat niveau van financiële onafhankelijkheid waarbij je genoeg vermogen hebt opgebouwd om al je vaste lasten te kunnen betalen. Met vaste lasten wordt dan bedoeld:

  • Hypotheekkosten, hypotheekrente en aflossing van de hypotheek
  • Alle verzekeringen (waaronder autoverzekering en ziektekostenverzekering)
  • Gemeentelijke belastingen
  • Energiekosten (gas, water en elektriciteit)
  • Studiekosten voor kinderen (schoolgeld, collegegeld, kamerverhuur, boeken)
  • Boodschappen
  • Auto, benzinekosten, afschrijvingskosten en reparatiekosten
  • Onderhoudskosten voor een huis

Gemiddeld bedragen de vaste lasten ongeveer 80% van een maandinkomen. Wanneer je geen hypotheek meer hebt, liggen de vaste lasten zomaar 30% lager. Om financiële zekerheid te bereiken, moet je een vermogen opbouwen dat gelijk staat aan twintig keer 80% van je jaarsalaris. Stel je verdient jaarlijks 25.000 euro netto, dan moet je een doelvermogen opbouwen van 400.000 euro voor financiële zekerheid.

In dit bedrag wordt geen rekening gehouden dat je wellicht gedurende het opbouwen van het benodigde vermogen je hypotheek aflost en op een gegeven moment pensioen en AOW ontvangt. Ook wordt er geen rekening mee gehouden dat je rente krijgt over het opgebouwde vermogen. In werkelijkheid zal dus het benodigde vermogen voor financiële zekerheid lager zijn.

Niveau 2: financiële onafhankelijkheid

Financiële onafhankelijkheid is het niveau waarbij je kunt voorzien in alle vaste lasten, plus alle extra dingen die je nu ook hebt, zoals bijvoorbeeld vakanties, cadeautjes voor jezelf, partner en kinderen, abonnementen, uit eten gaan etc… Eigenlijk staat dit niveau van financiële onafhankelijkheid gelijk aan je huidige uitgavenpatroon. Stel je spendeert je gehele jaarsalaris, dan moet je voor financiële onafhankelijkheid een doelvermogen gelijk aan 20 keer je jaarsalaris opbouwen. Stel je verdient jaarlijks 25.000 euro, dan moet je een doelvermogen opbouwen van 500.000 euro.

Niveau 3: financiële vrijheid

Financiële vrijheid bestaat uit het vermogen nodig voor financiële onafhankelijkheid vermeerderd met de kosten voor alle extra dingen die je wil hebben. Wellicht wil je nog op wereldreis, een bepaalde auto, of horloge, of sieraad kopen, een vakantiehuis in Frankrijk kopen, etc… De kosten die hiermee gemoeid zijn, moet je bij het bedrag nodig voor financiële onafhankelijkheid optellen.

De kracht van rente-op-rente; samengestelde rente

De drijvende kracht van je geldmachine is rente-op-rente (samengestelde rente). Albert Einstein noemde rente-op-rente al de grootste kracht van het universum. Samengestelde rente zorgt ervoor dat jouw vermogen groeit zonder dat jij daar iets voor hoeft te doen.

Investeer maandelijks een vast bedrag en begin vroeg met investeren

Door het gespaarde maandelijkse spaarbedrag te investeren, bouw je je geldmachine op. Het is belangrijk om zo vroeg mogelijk te beginnen met investeren. Waarom maandelijks investeren belangrijk is, wordt met een voorbeeld duidelijk gemaakt.

Jan en Piet gaan investeren

Stel er zijn twee broers; Jan en Piet. Jan en Piet hebben allebei ongeveer 360.000 euro nodig voor het tweede niveau van financiële onafhankelijkheid. Beide broers kunnen 300 euro per maand investeren tegen een jaarrendement van 6%.

Jan begint met investeren op zijn 25ste jaar en stopt op zijn 40ste jaar en laat dan het geld vaststaan tot zijn 65ste jaar. In totaal heeft Jan 54.000 euro geïnvesteerd.

Piet begint met investeren op zijn 45ste jaar en stopt op zijn 65ste jaar. In totaal heeft Piet 72.000 euro geïnvesteerd. Jan heeft met zijn investeringsstrategie in totaal 359.630 euro opgebouwd; bijna zijn doelvermogen. Terwijl Piet 132.428 euro heeft opgebouwd.

Jan heeft 18.000 euro minder geïnvesteerd en toch bijna drie keer zoveel vermogen opgebouwd als Piet! Door vroeg te beginnen met investeren, kan het rente-op-rente effect erg lang zijn werk doen en hoef je minder geld te investeren.

Neem geen geld tussendoor op en herinvesteer al je dividend

Om optimaal te profiteren van het rente-op-rente effect is het belangrijk om geen enkele euro tussentijds op te nemen en naast de rente-op-rente ook al het dividend dat je ontvangt te herinvesteren.

Passief versus actief beleggen

Er zijn zeer veel verschillende manieren om te investeren. Zo kun je in aandelen, obligaties, vastgoed, grondstoffen, kunst en cash investeren.

Voor de kleine particuliere investeerder rendeert het niet om in individuele aandelen, obligaties etc… te investeren. Er is namelijk aan de ene kant veel kennis van het investeringsproduct nodig, aan de ander kant zijn er met het instappen veel kosten gemoeid. Verder is er een groot bedrag nodig om te kunnen investeren. Zowel kennis en veel geld heb je als particuliere investeerder vaak niet. Onder andere om deze redenen zijn de beleggingsfondsen uitgevonden. Beleggingsfondsen zijn een verzameling van verschillende investeringsmogelijkheden, waarmee je met een klein investeringsbedrag al kunt investeren.

Een beleggingsfonds kan actief of passief beheerd worden. Hieronder wordt uitgelegd wat de verschillen zijn en wordt aangegeven welke van deze beleggingsfondsen gunstig voor je zijn.

Actieve beleggingsfondsen

Bij actieve beleggingsfondsen probeert de fondsbeheerder (fondsmanager) de markt te voorspellen en te verslaan en op basis daarvan transacties, aankopen, of juist verkopen te doen. Het is belangrijk om te weten dat elke transactie geld kost. Ook zijn de administratiekosten vaak een stuk hoger van een actief beheerd beleggingsfonds, omdat ook elke transactie geadministreerd moet worden. Vaak zijn dit verborgen kosten. Daarnaast krijgt de fondsmanager een fors salaris dat ook uit de beleggingen (lees jouw investering) wordt betaald.

Passieve beleggingsfondsen

Bij passieve beleggingsfondsen koopt de fondsbeheerder exact alle aandelen, of obligaties, of doet andere investeringen die een zo precies mogelijke afspiegeling van een markt zijn; bijvoorbeeld de AEX-index. Vervolgens worden alleen aandelen (of andere investeringsmogelijkheden) verkocht of gekocht wanneer de markt die wordt gevolgd verandert. De fondsbeheerder volgt dus de markt en er zijn dus ook weinig transacties (en dus weinig transactie- en administratiekosten). Passieve beleggingsfondsen staan bekend als indexfondsen, of trackers.

Markt is niet te voorspellen en niet te verslaan

Binnen actief beheerde beleggingsfondsen wordt gedacht dat de markt te voorspellen is en nog belangrijker te verslaan is. Dit is echter niet het geval! Er zijn onderzoeken bekend waarin apen beter de markt weten te voorspellen dan hoogopgeleide beleggingsexperts.

Uit onderzoek blijkt eveneens dat 96% van de actief beheerde beleggingsfondsen een slechter rendement heeft, dan een aandelenmarkt (bijvoorbeeld de AEX-index) en dus passief beheerde beleggingsfondsen over dezelfde periode.

Door de markt niet te willen voorspellen en te willen verslaan, maar gewoon te volgen en dus te beleggen in passief beheerde fondsen is het jaarlijkse gemiddelde actuele rendement ongeveer gelijk aan bijvoorbeeld de AEX en dus ongeveer 6,75%. Daarnaast zijn de kosten vaak ook nog een stuk lager van een passief beheerd beleggingsfonds, waardoor je nettorendement een stuk beter is. Je uiteindelijke rente-op-rente is dan ook een stuk groter!

Let op (verborgen) kosten

Beleggen in een beleggingsfonds brengt kosten met zich mee. Er moeten namelijk verschillende kosten worden gemaakt zoals transactiekosten, administratiekosten, beheerskosten etc…Deze kosten worden betaald uit je investering en drukken dus je nettorendement. Door de kosten dus laag te houden, wordt je nettorendement hoger. Passief beheerde beleggingsfondsen hebben vaak lage kosten, ongeveer 0,5 tot 1,0%. Je daadwerkelijke jaarlijkse nettorente wordt dus in plaats van 6,75%, ongeveer 6,0%. Bij een actief beheerd beleggingsfonds kunnen de kosten oplopen tot wel 3% en wordt je nettorendement in het gunstigste geval 3,75%, terwijl je als investeerder wel al het risico loopt.

Dus bij een actief beheerd beleggingsfonds betaal je als investeerder al de kosten. Als er al een goed rendement wordt gemaakt, gaat er een groot deel van de winst verloren aan kosten. Als het slecht gaat met de investering betaal je ook nog eens 3% kosten, waardoor je vermogen nog meer afneemt.

Warren Buffet adviseert om te beleggen in indexfondsen

Warren Buffet, de grootste en beste belegger adviseert aan zijn fondsmanagers te beleggen in indexfondsen (passief beheerde beleggingsfondsen), omdat hij er zeker van is dat die uiteindelijk beter presteren dan de actieve beleggingsstrategie van de fondsmanagers. Buffet heeft zelfs ooit zijn beste fondsmanagers uitgedaagd om over een periode van vijf jaar actief te beleggen en de prestaties af te zetten tegen een passief beheerd beleggingsfonds (indexfonds). Wat bleek? Geen enkele van zijn fondsmanagers presteerde beter dan het passief beheerde beleggingsfonds over dezelfde periode.

Gespreid beleggen is belangrijk

Het is nu duidelijk geworden dat het belangrijk is om zo vroeg mogelijk te beginnen met investeren, niet tussentijds geld op te nemen en te beleggen in indexfondsen, of trackers. Verder is het belangrijk om de investeringen te spreiden in aard en tijd.

Spreiding in verschillende soorten investeringen is belangrijk

Er zijn verschillende mogelijkheden in beleggen in indexfondsen. Zo zijn er indexfondsen die een specifieke aandelenmarkt volgen zoals bijvoorbeeld de AEX-index, DOW-jones, CAC-40 en DAX. Ook zijn er indexfondsen die bestaat uit investeringen in verschillende obligatiefondsen, grondstoffondsen etc…

Nu is het zo dat er zelfs indexfondsen zijn die in verschillende aandelenmarkten, obligatiefondsen en grondstoffondsen tegelijkertijd investeren. Deze fondsen hebben een maximale spreiding. Blackrockfondsen die in Nederland bijvoorbeeld door de Rabobank worden aangeboden, hebben zulke brede spreiding. Deze blackrockfondsen hebben lage kosten en worden in verschillende risicocategorieën aangeboden.

Spreiding in tijd is belangrijk

Naast spreiding in verschillende soorten beleggingen is het misschien nog wel belangrijker om je investeringen te spreiden in tijd. Investeer dus niet een groot bedrag in een keer, maar spreid dit bedrag over een grotere tijd uit. Het kan namelijk zijn dat je investering in een korte tijd erna in waarde halveert. Wanneer je dan een groot bedrag hebt geïnvesteerd ben je veel van je geld kwijt, of duurt het lang voordat de investering weer de beginwaarde heeft.

Wanneer je het grote bedrag dat je wil investeren, echter spreidt over bijvoorbeeld 12 maandelijkse termijnen compenseer je voor tijden dat een investering in waarde halveert. De ene maand koop je bijvoorbeeld voor 300 euro per maand 10 aandelen van 30 euro en de maand daarna 20 aandelen van 15 euro.

Risico, rendement en leeftijd

Bij investeringen is het goed om te realiseren dat elke investering een bepaald risico en rendement heeft. Hoe groter het risico des te groter kan ook het rendement zijn. Bij een laag risico, is het rendement ook lager. Het risico dat je veel geld kwijtraakt, hangt ook af van je beleggingshorizon.

Als je je vermogen niet binnen korte tijd nodig hebt; je beleggingshorizon ligt ver weg, wordt je risico ook kleiner. Eventuele tegenvallers kun je nog genoeg compenseren in de rest van de tijd. Als je dus jong bent en je beleggingshorizon ligt ver weg (minimaal 15 jaar), kun je wat meer risico nemen met beleggingen. Investeer echter nooit in alleen maar risicovolle beleggingen. Als je je vermogen binnen korte tijd nodig hebt, dus binnen 15 jaar, is het niet verstandig om in risicovolle beleggingen te investeren.

Indexfondsen die beleggen in stabiele aandelenmarkten en stabiele obligatiefondsen hebben een veel lager risico dan zogenaamde indexfondsen die beleggen in zogenaamde groeimarkten.

Gebruik geld uit je geldmachine wanneer je je doelvermogen hebt bereikt

Als je eenmaal je doelvermogen hebt opgebouwd, herinvesteer je het doelvermogen voor een deel naar een, of meerdere spaarrekeningen die vallen onder het depositogarantiestelsel. Een spaarrekening die valt onder het depositogarantiestelsel keert voor een bedrag van 100.000 euro altijd het geld uit dat je bij de desbetreffende bank hebt gestald.

Een ander deel van je vermogen herinvesteer je in een stabiel obligatiefonds die maandelijks geld uitkeert, en/of inkomensverzekeraar met lage kosten die maandelijks geld uitkeert. Maandelijks kun je nu geld opnemen van de spaarrekening en keren het obligatiefonds en inkomensverzekeraar geld uit.

Lees ook:

Risico en rendement van beleggen, risicoprofiel en horizon

Veel mensen weten niet dat zij eigenlijk al beleggen. Geld op een spaarrekening zetten en het bezit van een huis zijn beide beleggingen. Ook het pensioen is een belegging. Naast sparen op een spaarrekening en investeren in vastgoed, zijn de overige beleggingsvormen aandelen, (staats)obligaties en alternatieve beleggingen. Bij beleggen gaan risico en rendement hand in hand. Bij een hoog rendement is het risico verlies te lijden groter, dan bij een klein rendement.

Risicoprofiel van beleggers
Het rendement van je beleggingen is sterk afhankelijk van het risico wat je als belegger wilt nemen. Risico betekent de kans op verlies. Vaak denken beleggers dat ze behoorlijk veel risico willen nemen. Dit klopt zo lang de koersen stijgen. Op het moment dat de koersen dalen, blijkt het tegendeel en worden massaal aandelen van de hand gedaan. Over het algemeen kennen we drie risicoprofielen; de defensieve, of conservatieve belegger, de gemiddelde belegger en de offensieve, of agressieve belegger.

De defensieve, of conservatieve belegger
De defensieve belegger vindt het verschrikkelijk om verlies te lijden op zijn beleggingen. Het rendement zal echter ook laag zijn. Ook kan het zijn dat de belegger een behoorlijk vermogen heeft opgebouwd dat hij/zij wil gebruiken voor eerder stoppen met werken, wereldreis, studiefonds voor kinderen of pensioen. De belegger wil dan geen risico op vermogensverlies meer lopen. Doorgaans zal deze belegger zijn vermogen op een spaarrekening, veilige staatsobligaties en zeer veilige aandelen investeren.

De gemiddelde belegger
De gemiddelde belegger vindt een verlies op korte termijn doorgaans niet vervelend, maar verwacht wel een aanzienlijk gemiddeld jaarrendement. De beleggingshorizon van de gemiddelde belegger zal lang genoeg (tussen de 10 en 20 jaar) zijn om het verlies van de portefeuille op te vangen met jaren die een goed rendement kennen. Over het algemeen zal de gemiddelde belegger investeren in obligatiefondsen en veilige aandelen, maar ook aandelen met een hoger risico. Deze aandelen met een hoog risico dalen meer dan de beurs in slechte tijden, maar leveren ook meer rendement op wanneer de beurs stijgt.

De offensieve, of agressieve belegger
Agressieve beleggers willen zeer veel risico nemen. Het verlies op de portefeuille kan zeer groot zijn. Daar tegenover staat een groot rendement bij goede tijden. Deze belegger zal beleggen in aandelen met een groot risico. Wanneer voldoende vermogen is opgebouwd en de beleggingshorizon ver in de toekomst ligt, kan met een deel van het vermogen risicovol worden belegd.

Invloed van risico en rendement op samenstelling beleggingsportefeuille
Zoals we hierboven hebben kunnen lezen is het risico wat de belegger wil nemen bepalend voor het rendement wat de belegger mogelijk krijgt. Hieronder is te zien wat het effect is van het risico wat de belegger wil nemen op het rendement wat de belegger mag verwachten. Ook hier kunnen we een onderverdeling maken naar het risico wat de belegger wil nemen.

Zeer weinig risico
De belegger die weinig risico wil nemen, zal doorgaans sparen en veilige obligaties en aandelen aanschaffen. Het gemiddeld jaarrendement zal rond de 3% liggen.

Gemiddelde risico
De belegger die een gemiddeld risico wil nemen, zal doorgaans beleggen in veilige obligaties, aandelen en veilig vastgoed. Het gemiddeld jaarrendement zal rond de 7% liggen.

Veel risico
De belegger die meer risico wil nemen, zal doorgaans beleggen in met name aandelen. Dit kunnen zowel veilige aandelen zijn, als speculatieve aandelen. Het gemiddeld jaarrendement zal rond de 12% liggen. De kans op verlies is echter ook groter.

Invloed van beleggingshorizon op samenstelling beleggingsportefeuille
Ook de beleggingshorizon heeft veel invloed op de samenstelling van de beleggingsportefeuille van de belegger. Hoe korter de beleggingshorizon des te conservatiever zal de beleggingsportefeuille moeten zijn.

Bij een beleggingshorizon van 1 tot 2 jaar is het zeer onverstandig om veel in aandelen te investeren. Het beste kan het geld op een spaarrekening worden gezet.

Bij een beleggingshorizon langer dan 20 jaar is het aan te raden om het grootste deel (tussen 60 en 80%) van het vermogen te beleggen in aandelen. De rest kan geïnvesteerd worden in obligaties en vastgoed. Dit vermogen moet echter wel lange tijd gemist kunnen worden.

Bij een beleggingshorizon van rond de 5 jaar is het aan te raden om het vermogen te verdelen over een spaarrekening, veilige obligaties en veilig vastgoed. In plaats van een spaarrekening kan het geld ook op een spaardeposito worden vastgezet. Op een spaardeposito is het rendement hoger, dan op een gewone spaarrekening.

Dief van eigen portemonnee bij niet beleggen; inflatie en vermogensrendementsheffing
Veel mensen hebben angst om te beleggen in aandelen, obligaties en beleggingsfondsen die investeren in deze beleggingsvormen. Zij willen niet het risico lopen dat verlies wordt geleden op de investering. Daarom wordt het vermogen op een spaarrekening gezet. Hoewel het vermogen in Euro’s niet afneemt op een spaarrekening, wordt het vermogen door vermogensrendementsheffing en inflatie steeds minder waard.

Over spaartegoed moet vermogensrendementsheffing worden betaald

Over de tegoeden groter dan ongeveer 21.000 euro (vanaf 2017, 25.000 euro) moet de begunstigde vermogensrendementsheffing betalen.

In 2015 en 2016 is deze vermogensrendementsheffing 1,2 % van het rekeningtegoed groter dan ongeveer 21.000 euro. De belastingdienst gaat bij de vermogensrendementsheffing uit van een fictieve spaarrente van 4% over het spaarbedrag en rekent een vlak belastingtarief van 30% over dit fictieve rendement; samen 4% x 30%= 1,2% vermogensrendementsheffing.

Vermogensrendementsheffing 2015, 2016 en 2017 en sparen nu en later

In 2015 en 2016 geldt de vermogensrendementsheffing vanaf een spaarbedrag van ongeveer 21.000 euro per spaarder. Bij een gezin geldt dus een vrijstelling van ongeveer 42.000 euro.

Over het spaartegoed groter dan 21.000 per spaarder wordt een vermogensrendementsheffing van 1,2% gebruikt. Er zijn reële kabinetsplannen om in 2017 de vermogensrendementsheffing aan te passen, omdat de huidige fictieve rente die wordt gebruikt niet realistisch is en omdat alle spaarders even zwaar worden belast.

Mensen met een klein spaartegoed worden in 2015 en 2016 even zwaar belast als mensen met grote spaartegoeden. Vanaf 2017 geldt voor mensen met een klein spaartegoed een kleinere vermogensrendementsheffing dan voor mensen met grotere spaartegoeden. Vanaf 2017 worden de volgende rentetarieven en vermogensrendementsheffingen gebruikt per spaarder:

  • Vrijstelling tot 25.000 euro spaartegoed per spaarder
  • Vanaf 25.000 euro tot 100.000 euro spaartegoed een rentetarief van 2,9% en vermogensrendementsheffing van ongeveer 0,8% per spaarder
  • Vanaf 100.000 euro tot 1 miljoen spaartegoed een rentetarief van 4,7% en vermogensrendementsheffing van 1,4% per spaarder
  • Vanaf 1 miljoen euro spaartegoed een rentetarief van 5,5% en vermogensrendementsheffing van 1,65% per spaarder

Lees ook:

Loop geen inkomsten mis, schrijf over hobby, werk of studie en verdien extra inkomsten!

18 bespaartips en een passief inkomen opbouwen

Tien stappen om miljonair te worden

Maak je eigen geldmachine in 8 stappen en wordt financieel onafhankelijk; stap 1 meer sparen en besparen 

Maak je eigen geldmachine en wordt financieel onafhankelijk; stap 2 vermijd slechte investeringen

Bronnen:

M Kanis (2008) Beleggen voor dummies, Pearson, Amsterdam
Robert Doyen, M Schneider (2009) Rijker worden voor dummies, Pearson, Amsterdam
http://www.afm.nl/nl/consumenten/producten/belegging.aspx?gclid=CMz9_5_s0qgCFUcm3godaTUshA

Externe link:

Bouw extra inkomsten door een beleggingsrekening te openen